Er is recentelijk een dispuut ontstaan onder onderzoekers over beweringen die ernstige droogtes in verband brengen met opstanden in het laat-Romeinse Groot-Brittannië. Terwijl klimatologen bewijzen presenteerden die klimaatpatronen correleren met onrust, beweren historici dat de interpretaties van historische bronnen gebrekkig zijn, wat de uitdagingen benadrukt van het integreren van klimaatgegevens in historische analyses.
De initiële claim: het klimaat als katalysator voor rebellie
Vorig jaar analyseerde een team onder leiding van Ulf Büntgen van de Universiteit van Cambridge boomringgegevens uit Groot-Brittannië en Frankrijk, waarbij droogtes tussen 364 en 366 na Christus werden geïdentificeerd. Ze stelden dat deze droogtes leidden tot slechte oogsten, waardoor lokale opstanden tegen de Romeinse overheersing werden aangewakkerd, waaronder de ‘Barbaarse Samenzwering’ van 367 – een reeks nederlagen die het rijk werd toegebracht, waaronder de ontvoering van een Romeinse commandant. De studie suggereerde ook een bredere correlatie tussen droge zomers en veldslagen in het hele Romeinse rijk.
Dit onderzoek kreeg veel media-aandacht, maar is sindsdien onder de loep genomen.
Historische kritieken: oude teksten verkeerd interpreteren
Helen Foxhall Forbes van de Ca’ Foscari Universiteit van Venetië en andere historici publiceerden een weerwoord in Climatic Change, waarin ze beweerden dat de oorspronkelijke studie belangrijk historisch en archeologisch bewijsmateriaal verkeerd interpreteert. De belangrijkste bron voor de Barbaarse Samenzwering, de Res gestae van Ammianus Marcellinus, is fragmentarisch en gedeeltelijk onsamenhangend. De term “barbarica conspiratio” is dubbelzinnig; het kan een gecoördineerde opstand, invallen of gewoonweg sociale onrust betekenen.
Cruciaal is dat Ammianus de ontberingen beschrijft als een resultaat van de samenzwering, en niet als de oorzaak ervan. De bewering van de onderzoekers dat droogte tot hongersnood leidde, wat vervolgens tot rebellie leidde, is regelrecht in tegenspraak met de bewoordingen van de auteur.
Methodologische problemen: te grote vereenvoudiging en ontbrekende expertise
Critici wijzen ook op problemen met de gevechtsdatabase die in het oorspronkelijke onderzoek werd gebruikt. Sommige gebeurtenissen die als ‘conflicten’ werden geclassificeerd, waren waarschijnlijk stedelijke onrust, en het verband tussen door droogte veroorzaakte voedseltekorten en grootschalige rebellie blijft onbewezen.
Volgens Foxhall Forbes ontbrak het onderzoek aan voldoende historische expertise; terwijl er twee archeologen bij betrokken waren, die geen van beiden gespecialiseerd waren in het laat-Romeinse Groot-Brittannië. Büntgen verdedigt zijn multidisciplinaire aanpak en suggereert dat verder onderzoek ook ecologen zou moeten omvatten om de impact van het klimaat op de landbouw beter te begrijpen, maar erkent de mogelijkheid van vaagheid in bestaande onderzoeken.
Het grotere geheel: disciplines overbruggen en het verleden interpreteren
Het dispuut illustreert een bredere spanning in historisch onderzoek tussen ‘minimalistische’ en ‘maximalistische’ interpretaties. Minimalisten geven prioriteit aan gedetailleerde analyse boven brede generalisaties, terwijl maximalisten patronen zoeken in onvolledige gegevens. Hoewel de boomringgegevens waardevol blijven, benadrukken historici de noodzaak van rigoureuze tekstanalyse en interdisciplinaire samenwerking.
Uiteindelijk benadrukt het debat dat hoewel de klimaatverandering de gebeurtenissen in Romeins Groot-Brittannië kan hebben beïnvloed, het leggen van een direct causaal verband een zorgvuldige afweging van de historische context en de interpretatie van de bronnen vereist.
